zondag 1 mei 2011

Goede pers

Volgens mij heeft Nederland wel een goede pers in Rwanda, tenminste bij de officiële. Maar wat wil je ook, door Nederland worden een aantal ambassades gesloten, die van Rwanda echter niet. Op het landenlijstje voor ontwikkelingssamenwerking blijven nog maar 15 landen staan en Rwanda hoort hier bij, terwijl er wel zo’n 18 afvallen. En verder zijn er de mooie woorden die gezegd zijn door onze ambassadeur in Rwanda. Geen wonder dat onze Koninginnedag ook hier de krant haalt.

Dutch Community celebrates Queen’s Day
By Edmund Kagire

The Dutch Ambassador to Rwanda Frans Makken (R) tosses a glass of wine with Ambassador Ben Rutsinga during the celebrations to mark the Queens Day (Photo T.Kisambira).
KIGALI - The Dutch Community in Rwanda, Thursday evening joined fellow nationals around the world to celebrate Queen’s Day, a symbolic day for national unity and togetherness.
The Dutch Ambassador to Rwanda, Frans Makken, hosted the Dutch community and other invited guests to a cocktail at his residence, which emphasised on improved relations between Rwanda and Holland.
Addressing the guests, Makken said that the cooperation between the two countries had been broadened and taken to new heights in the last couple of years, as demonstrated by several high profile visits by officials from both countries.
“Following the visit of Justice Minister Tharcisse Karugarama to the Netherlands in January 2010, our former Minister of Justice came to Rwanda in June 2010,” he said.
“That visit resulted into a Memorandum of Understanding in which the two ministers reaffirmed that there should be no safe haven for persons suspected of international crimes, including Genocide and crimes against humanity,” Makken said.
The Dutch envoy noted that the agreement has since been followed by an exchange of information by the two countries aimed at extraditing suspects between the two countries.
Makken observed that the 17 commemoration of the 1994 Genocide against the Tutsi, just two weeks ago, served to remind the two countries that impunity of any form cannot be tolerated.
“Not only are laws on Genocide denial and Genocide ideology being revised, but the media law will also be reviewed. Public debate is being organised on a number of issues,” Makken observed.
The Dutch Ambassador committed his country’s continued support to development efforts in Rwanda by supporting various sectors of the economy such as agriculture and education.
He also commended Rwanda’s peacekeeping efforts abroad, and at the same time, said that military cooperation that exists between the two countries would be strengthened.
Speaking on behalf of the Minister of Foreign Affairs, Louise Mushikiwabo, Ben Rutsinga, the Director of Europe, America and international organisations in the Ministry said that Rwanda is committed to maintaining the good relations.
“I wish to affirm Rwanda’s commitment to further strengthen the good relations to greater heights, for the mutual benefit of our two peoples,” Rutsinga said.
The Queen's Day is marked in honour of the birthday of the Dutch.

zaterdag 30 april 2011

Royal wedding gatecrash

Ook hier in Rwanda heerst de koorts van de ‘Royal wedding’. Zeker onder de mensen van Britse origine. Iedereen met de Britse nationaliteit was dan ook uitgenodigd om gisteravond tussen 18.00 en 20.00 uur het huwelijk te vieren ten huize van de residentie van de ‘High Commissioner’. Zelfs de grootste republikein wilde dat niet missen en zorgde ervoor om op de gastenlijst te staan. Ook Canadezen en Ieren wilden er graag bij zijn, maar kregen bij hun verzoek om dit bij te mogen wonen, nul op rekest. Dit was een feest alleen voor de Britten.

Officieel binnenkomen mag dan niet lukken, maar ik had mijn zinnen gezet om dit feest ook mee te maken. Misschien valt het wel mee, als je gewoon aan de deur verschijnt, kom je er misschien wel zo in, dus ik ga het toch proberen. Met een flinke groep mensen van VSO komen wij aan bij de residentie. Er staat een bescheiden rij van mensen, en wij sluiten ons aan. Er is duidelijk een gastenlijst, dus misschien gaat dat binnenkomen toch niet lukken. Er is een mevrouw voor ons die veel aandacht vraagt aan de twee bewakers aan de deur, zij zegt dat ze een vriendin van de ambassadrice is, maar staat niet op de lijst. Het zijn flinke lijsten en het is een hele zoekpartij om ieders naam te vinden. Verschillende gasten namen de lijsten in handen om hun naam te zoeken. Mijn huisgenoten Lynne en Darryl zijn aan de buurt en vinden na een flink gezoek eindelijk hun naam. Achter ons heeft zich inmiddels een enorme rij gevormd van gasten. De vriendin van de ambassadrice legt haar situatie nog een keer uit. Ik zeg: “I’m a friend of the family” en vervolgens kan ik met mijn huisgenoten doorlopen naar binnen. Het is gelukt.

Wij worden verwelkomd door de High Commissioner en zijn vrouw. Later zal ik erachter komen dat een ambassadeur de benaming High Commissioner krijgt als deze ambassadeur is van een land dat hoort bij de Commenwealth. En Rwanda hoort daar sinds vorig jaar ook bij. Ik probeer mijn Nederlandse accent zo veel mogelijk te verbergen door zo weinig mogelijk te zeggen. Wij worden uitgenodigd om een glas Pimm’s te nemen. Dat zal vast wel de Britse variant van een welkomstdrankje zijn.

De residentie valt op door zijn bescheidenheid. Die van de Nederlandse ambassadeur is minstens twee keer zo groot, en de tuin van Frans Makken is minsten vier maal die van zijn Britse collega. Ook hier staat een tent in de tuin, maar veel bescheidener en ook het buffet lijkt haast schrepel. Bier, wijn en fris is wel in overvloed te krijgen. Er worden hapjes rondgebracht, waaronder typisch Britse, zoals ‘cucumber sandwich’, zonder korst (with the crust cut off), maar ook hapjes met een meer internationaal karakter. Maar er is zeker geen overvloed aan hapjes, veel minder dan in vergelijking met het Nederlandse feest. Ik zou hier een opmerking over belastinggeld kunnen maken, maar doe het toch maar niet.

Om zeven uur neemt de High Commissioner het woord om iedereen welkom te heten en nog wat toelichting te geven op het huwelijk dat zojuist is voltrokken. Op een groot scherm zal een samenvatting van de plechtigheid worden getoond, een samenvatting van een minuut. De beelden schieten voorbij, en dat is dan ook alles wat ik ervan gezien heb. Een gemiste kans is dat hij zijn toespraak niet heeft afgesloten met een toast op huwelijksgeluk van het jonge paar.

Op het feest krijg ik veel commentaar dat ik als Nederlander zomaar dit Britse feest ben binnengevallen. Ze hebben het over een ‘gatecrash’. En dat in mijn oranje blouse. Ik pak gauw een Brits vlaggetje en ga ermee zwaaien. Ik kom nog een paar Nederlanders tegen van de ambassade. Maar zo rond 21.00 is het aardig leeggelopen en wordt het tijd om op zoek te gaan naar een restaurant, want alleen met de hapjes gaan we het niet redden.

Het was leuk om dit feest mee te maken en het zodoende te vergelijken met het Nederlandse feest van Koninginnedag. Ik hoor wel eens dat wij Nederlanders de beste feesten hebben, waar iedereen naar toe wil gaan. Op grond van wat ik hier heb meegemaakt moet ik dat inderdaad beamen; de Nederlandse feesten zijn inderdaad de beste feesten.

vrijdag 29 april 2011

Koninginnedag

In Nederland is het nog geen 30 april, maar hier hebben we Koninginnedag al gevierd. Op 15 april heb ik via de mail de volgende uitnodiging ontvangen:

Ter gelegenheid van de officiële verjaardag van

Hare Majesteit de Koningin


hebben Harer Majesteits Ambassadeur,
Frans Makken en Mevrouw Lina Stam,
het genoegen leden van de Nederlandse gemeenschap in
Rwanda uit te nodigen voor een receptie ter Residentie

op donderdag 28 april 2011, 18.00 - 20.00 uur
gevolgd door het informele deel van het programma

Als kledingadvies werd ‘tenue de ville’ geadviseerd. Ik heb geen idee wat dat betekent, maar het leek wel gepast om iets met oranje aan te doen. In mijn garderobe hier heb ik dat echter niet voorradig. Dus op naar de markt om een leuk oranje stofje uit te zoeken, met ook een beetje een Afrikaanse uitstraling, om hiervan een blouse te laten maken. Op de markt zijn stoffen in overvloed en al gauw had ik een mooie gevonden en er zijn ook naaisters in overvloed, dus die was ook snel geregeld. Zij heeft met de centimeter allerlei maten opgenomen en ik heb mijn stof in goed vertrouwen achtergelaten. Een paar dagen was het klaar, ik was een beetje bang dat wat klein uit zou vallen, maar dat viel gelukkig mee. Ik ben erg tevreden met het resultaat en dat voor 3.000 Frw voor de stof en 4.000 Frw voor het maken.

Om klokslag 18.00 uur was ik present bij de residentie van de ambassadeur en kon met het uiten van enkele Nederlandse woorden zo doorlopen. De residentie is een gigantisch huis, het lijkt wel een kasteel. De Duitse residentie ligt er naast, en deze verpietert gewoon bij de Nederlandse residentie. Ik werd welkom geheten door de ambassadeur, zijn vrouw en nog twee andere mensen van de ambassade. En kon doorlopen naar de tuin, alwaar een enorme tent was opgezet met een buffet waar het bier, de wijn en het fris in ruime hoeveelheid voorradig waren.

En het cliché dat op Koninginnedag in den vreemde die typische Nederlandse etenswaren, die speciaal hiervoor worden ingevlogen uit Nederland, worden geserveerd, is helemaal waar, want al snel kwamen de schalen met blokjes kaas met mosterd en de stukjes haring met ui voorbij. Dit alles vergezeld van een Nederlands vlaggetje. Deze lekkernijen heb ik mij goed laten smaken en ook gelijk maar opgevat als zijnde mijn avondmaaltijd. Later op de avond kwamen natuurlijk ook de onvermijdelijke bitterballen nog voorbij. Ook stond er zo’n typische Nederlandse kar waar men oranjebitter had. Hoewel ik geen grote liefhebber van oranjebitter ben, voelde ik mij hier in Rwanda toch wel verplicht om een glaasje te nemen.


De aankleding is heel erg oranje en rood-wit-blauw. Elke paal van de tent is met oranje papier omwikkeld. Het personeel van de ambassade heeft hier de hele dag aan gewerkt en zij hebben goed hun best gedaan. Bij de gasten is de kleur oranje helemaal niet zo prominent aanwezig, zo hier en daar een oranje stropdas of een oranje strikje. Het blijkt dat ik het meest oranje gekleed ben van iedereen. Mijn aanschaf was misschien wel niet nodig geweest, maar ik heb er een mooie blouse aan overgehouden.


Zo rond half acht nam Frans Makken het woord voor een welkom. Vervolgens werd eerst het Rwandese volkslied (Rwanda Nziza) gezongen door een koor en aansluitend werd door de Nederlanders, inmiddels in ruime getale toegestroomd, uit volle borst het Wilhelmus gezongen. Gelukkig hadden ze de tekst van te voren uitgedeeld, zodat ook de wat minder tekstvasten konden meedoen. Daarna kwam er een speech van de ambassadeur waarin hij de loftrompet uitsprak over de goede ontwikkelingen die plaatsvinden in Rwanda. Hij was heel positief, misschien wel een beetje te positief? Vervolgens nog een toespraak van de Rwandese minister van Economische Zaken die zijn collega van Buitenlandse Zaken verving. En het officiële gedeelte werd afgesloten met een toast door de ambassadeur op de verjaardag van de koningin met de uitspraak “Leve de koningin!”, gevolgd door een driewerf “Hoera” van het publiek.


Vervolgens kon het informele gedeelte beginnen. De buitenlandse gasten werden geacht dan weer te vertrekken, en dat deden ze ook, zodat we op het laatst allen overbleven met de Nederlanders. In de drie maanden dat ik hier ben heb ik toch al aardig wat mensen leren kennen, en dus heb ik zo hier en daar een praatje gemaakt met mijn Nederlandse collega’s van VSO, met diegene die ik heb leren kennen via Marte’s school, met de mensen die ik ontmoet heb tijdens het Paas Tennistoernooi, met Ernie Brandts, en enkele andere die ik op andere plekken heb ontmoet. De avond vloog zo eigenlijk om. Vanaf 23.00 uur werd er niet meer geschonken en dat was het teken dat het bijna afgelopen was. Dus zo rond half twaalf ben ik vertrokken, door onder ander een hand te geven aan de ambassadeur, om vervolgens licht beschonken, achter op de taxi-moto huiswaarts te gaan.

Ik heb van de diverse mensen die in het buitenland woonden altijd van die fantastische verhalen gehoord over het grote feest van Koninginnedag, en dan was ik altijd een beetje jaloers. Al jaren kijk ik ernaar uit om een keer in den vreemde mee te maken en nu is het dan uiteindelijk gelukt. Leuk om nu eens echt zelf te beleven.

woensdag 27 april 2011

Census

In 2010 is namens onze organisatie RNDSC met geld van de UNDP (United Nations Development Programme) een census uitgevoerd in geheel Rwanda om vast te stellen hoeveel mensen met een handicap er zijn in dit land. In oktober 2010 zijn heel veel vrijwilligers (community health workers) het land ingetrokken om alle mensen met een handicap te gaan tellen. Ze hebben in totaal 522.856 mensen geteld als zijnde gehandicapt. Dit zou ongeveer 5 % van de bevolking zijn.

Op dit onderzoek valt best wat aan te merken. Het onderzoek claimt iedereen individueel te hebben geteld, een heleboel mensen hebben echter aangegeven dat zij niet geteld zijn en zeggen daarmee dat het onderzoek niet volledig kan zijn. Internationaal wordt vaak gezegd dat het percentage in de wereld ongeveer 10 % is, met de toevoeging dat het waarschijnlijk in derdewereldlanden nog hoger zou kunnen zijn. En in en land met de geschiedenis van Rwanda zou het nog wel eens wel hoger kunnen zijn. Ook gaan er verhalen de ronde dat sommige vrijwilligers de taak niet helemaal serieus hebben opgevat. Zij zijn onder een boom gaat zitten en hebben de formulieren met behulp van een functionaris van de Umudugudu ingevuld. Er zijn indicaties dat het getelde aantal aan de lage kant kan zijn. En verder wordt ook geen enkele vergelijking gemaakt met landelijke cijfers, daardoor zijn er soms gegevens zonder enige context en zeggen ze eigenlijk niet zo veel. Niettemin is het een belangrijk document dat een eerste stap kan zijn om te zorgen dat er beleid gemaakt kan worden op dit gebied.

Het document is er, maar hoe nu verder? Dan komt het ministerie waaronder wij vallen om de hoek kijken. Dat is MINALOC (Ministère de l'Administration Locale). Op de een of andere manier is het niet mogelijk om dit te publiceren zonder haar goedkeuring of buiten haar om. Dus wordt het rapport voorgelegd aan het ministerie, en dan ligt het daar een poosje. Een dikke maand later krijgen wij bericht dat het gepresenteerd kan worden, maar ze willen dan ook gelijk het voorstel voor een vervolgonderzoek presenteren en een rapport over de progressie die men heeft gemaakt ten aanzien van het ‘National Programme on Disability’. Ja, op dat rapport zaten we ook al een tijdje te wachten, dus dat komt wel goed uit.


Er moet een datum komen voor de presentatie. Wij doen een eerste voorstel voor een datum. Daarop wordt niet gereageerd. Mondeling informeren zorgt voor het antwoord dat het in overweging wordt genomen. De eerste datum passeert zonder dat er iets gebeurt en er komt een tweede datum. Dit is dinsdag 5 april. Het zelfde scenario herhaalt zich. Maar dan toch, op vrijdag 1 april komt het groene licht. Eerst het hotel bellen om de locatie definitief vast te stellen, en maar hopen dat er niemand is tussen gekropen. Nu moeten alle uitnodigingen nog de deur uit. Bruno en Saphira zitten de hele dag aan de telefoon om allerlei mensen te bellen om aan te kondigen dat de census gepresenteerd zal worden op volgende week dinsdag. Rwanda is een land waar gewoon alles op het laatste moment gebeurt, ik begin er al een beetje aan te wennen.

Dan breekt de dinsdag aan. De presentatie zal om 2 uur beginnen.  Om half twee zijn wij aanwezig, maar dan is er nog niemand en om 2 uur precies zijn er al 20. Daarna druppelen er steeds meer mensen binnen en om 3 uur tel ik toch al zo’n 50 mensen. Ik blijf er verbaasd over staan hoeveel mensen er komen opdagen voor een bijeenkomst waarvan ze de uitnodiging zo kort van te voren hebben ontvangen. Of zullen al deze mensen al hun oorspronkelijk geplande afspraken hebben afgezegd? En zitten nu minstens 50 andere mensen met een lege agenda?

Om 2 uur is het personeel van het hotel nog druk bezig. De projector moet nog worden opgesteld. De flesjes water moeten nog op tafel worden gezet. Er wordt gezocht naar een microfoon. Maar geen haast, want de presentator van het geheel is er toch nog niet. Het wachten is op de DG (Director General) van MINALOC. Uiteindelijk komt ze en om kwart voor 3 kunnen we dan toch echt van start.

De speech die zij gaat voorlezen is niet door haar zelf opgesteld, maar deze is gemaakt door Nicole. Om 11 uur ’s ochtends kregen wij het verzoek van de DG of wij even een speech voor haar wilden maken en om kwart over 11 vroeg ze al waar het toch bleef. Nicole, door de wol geverfd door haar rol bij het Britse parlement, heeft er toch iets langer over gedaan en er een mooi stukje proza van gemaakt. Op slinkse wijze heeft ze er aantal toezeggingen van het ministerie in laten zetten, dat wil zeggen ze heeft geprobeerd om de DG een aantal zaken te laten bevestigen die gedaan moeten worden door het ministerie, maar waar het op de een of ander manier, meestal vanwege een geldkwestie, nog niet is van gekomen. De DG blijkt ook niet helemaal gek te zijn, en leest alle gedeelten met een beetje toezegging niet voor. Zo wordt het spel dus gespeeld!

Dan komt de presentatie van het rapport ‘Census of People with Disabilities in Rwanda‘ gepresenteerd door diegene die het onderzoek heeft gedaan. Met een PowerPoint presentatie wordt het document nog even dunnetjes doorgelopen. Na afloop zijn er vragen vanuit de zaal. Het grootste kritiekpunt is dat men het onderzoek niet betrouwbaar vindt, omdat men zelf als gehandicapte niet is geteld. En verder is het onvolledig, omdat geen vragen over bijvoorbeeld werk of educatie zijn gesteld. Ook had men graag gezien dat er gevraagd zou zijn naar de oorzaak van de handicap. En zo gaat dat nog wel even door. Ook ziet iemand een knoepert van een fout. De onderzoeker geeft aan dat de fout zal worden hersteld, dat er geen geld was om nog meer vragen te stellen, en dat diegene die niet geteld zou zijn, waarschijnlijk toch wel geteld is, maar dan heeft iemand anders dat gedaan namens de gehandicapte. Dit laatste lijkt mij een beetje een flauwe reactie. Zo, het rapport is daar, de kritiek is geleverd, en we kunnen door naar het volgende agendapunt.

De andere twee presentaties komen vervolgens aan bod, ondanks het late begin eindigen we toch keurig op de geplande tijd van kwart voor zes, en het geheel wordt afgesloten met het uitbetalen van de per diems en met het consumeren van koffie, fris en snacks.

Deze week hebben we een vervolggesprek gehad met de DG. Op het afgesproken tijdstip zijn wij present, maar helaas, de DG is nog in bespreking. Wij blijven gewoon even wachten, in de wachtkamer, ze kan zo niet ontsnappen, en ja hoor, na een halfuur kan ze ons ontvangen. Een half uur wachten, dat valt nog niks tegen. Verschillende zaken passeren de revue, onder andere het rapport van de census. Zodra de onderzoeker zijn fout heeft hersteld, dan moet het rapport naar het Bureau of Statistics (“If you don’t count, you don’t count”). En vervolgens kan het rapport, met het eventuele commentaar van de statistici, naar MINALOC en dan zal het ministerie het rapport gaan valideren. Dan zal het officieel zijn! Het kan misschien nog even duren, maar het zal goed komen.

Wat opvalt, is dat het ministerie zo’n arrogantie uitstraalt. Gecombineerd met een beetje slaafse houding van alle organisaties en mensen die hiervan afhankelijk zijn zorgt dat voor een rare, misschien wel gevaarlijke situatie. Het ministerie is volgens de wet verantwoordelijk om een census uit te voeren, daar heeft ze geen geld voor en geen zin in, en laat dat door iemand anders uitvoeren. En als het dan gereed is, dan worden de touwtjes weer aangetrokken, en kan er niets gebeuren zonder instemming van het ministerie, en dat ook nog op niet zo’n sympathieke wijze. Daar krijg ik een beetje raar gevoel van.

Vervolgverhalen:
http://bertinafrika.blogspot.nl/2011/07/census-deel-2-raar-staartje.html
http://bertinafrika.blogspot.nl/2011/10/census-deel-3-slot.html
En als extraatje:
http://bertinafrika.blogspot.nl/2011/10/conversations-with-teddy-k.html

maandag 25 april 2011

Paas Tennistoernooi

Het afgelopen weekend was er een met een sportief tintje. Op zaterdag een flinke wandeling en op zondag een tennistoernooi.

Met mijn nieuwe huisgenoten Lynne en Daryll en met een andere nieuweling Ken hebben we besloten om de wandeling naar Mount Kigali te gaan maken. Eerst met het busje naar het eindpunt in Nyamirambo en volgens de Bradt gids moet je hier de weg gewoon vervolgen, en dan wordt het eerst een ‘cobbled road’ en dan een ‘dirt road’ en dan maar gewoon doorlopen, dan kom je vanzelf bij Mount Kigali. Met zijn 1.850 meter is het de hoogste berg in de buurt van Kigali.


De aanwijzingen kloppen wonderwel, eerst lopen we nog tussen de huizen maar al gauw zijn deze verdwenen, en dan lopen we door een bos. Na een dik uur bereiken wij het eindpunt: een militaire basis. Een goede reden om rechtsomkeert te maken. Onderweg hebben we gezelschap gekregen van vier jonge mannen van zo rond de twintig jaar. Twee kunnen goed Engels en zijn dus goed spraakzaam. De andere twee lopen alleen maar mee en zeggen bijna niets. De mannen lopen eerst het hele stuk mee naar boven en daarna ook weer het hele stuk naar beneden. Ze waren eigenlijk best wel prettig gezelschap, zo op papier klinkt het best opdringerig, maar dat was het absoluut niet.


Halverwege de wandeling kregen we ook gezelschap van vijf kinderen, die hout aan het sprokkelen waren. Op een gegeven moment legden ze het gesprokkelde hout, nodig voor het vuur om te koken, aan de kant en liepen vervolgens ook met ons mee tot het eindpunt. En weer terug. Al met al liep er best wel een groot gezelschap op Mount Kigali.



Op de terugweg liepen we langs een andere weg naar beneden, en kwamen zo ook door een ander gedeelte van de stad. Stuk voor stuk armoedige huizen en zeker niet het beste gedeelte van de stad. Veel mensen op straat, en ze laten niet veel emotie zien. In een ander land zou je zo’n situatie wel als bedreigend kunnen ervaren, ernstig kijkende, donkere mensen in een achterbuurt. Maar je weet, dit is Rwanda, dus het is veilig. Ik groet zo veel mogelijk mensen met een standaardgroet als “Mwiriwe” (goedemiddag) of “Amakuru?” (hoe gaat het?) dan fleuren de gezichten op en met een glimlach wordt mijn groet beantwoord.


Op zondag heb ik meegedaan aan het traditionele Paas Tennistoernooi met aansluitende barbecue, dat georganiseerd is door de Nederlandse ambassade. Het is wel eens leuk om weer eens een hele dag Nederlands te praten. Mensen van verschillend pluimage zijn er, natuurlijk een aantal van de ambassade, redelijk wat van de Banque Populaire (Rabobank dus) en verder wat eenlingen werkzaam voor verschillende NGO’s of andere instellingen. Ook nog lekker getennist met twee nederlagen en een overwinning. Een plaats in de finale zat er dus helaas niet in. Maar dit is wel de eerste keer dat ik een wedstrijd heb gespeeld met echte ballenjongens. In het begin heb je nog de neiging om de ballen zelf nog te gaan oprapen, maar na verloop van tijd laat je ook de ballen vlakbij gewoon liggen, en je richt je met een knikje naar de ballenjongen dat je bereid bent om de ballen in ontvangst te nemen voor de volgende opslag. Best wel een lekker gevoel. En er was ook een echte scheidsrechter, die de stand bijhield. Dan hoorde je de magische woorden: “Trente quinze”. Op een gegeven moment was er een gaatje in de planning en toen hebben met vier man besloten om tussendoor nog even een informeel potje te spelen. Zodoende heb ik samen met de Nederlandse ambassadeur, Frans Makken, een dubbel gespeeld tegen twee andere heren.



’s Avonds was er een barbecue in het huis van de secretaresse van de ambassadeur. Zij woont in een kast van een huis met een prachtige tuin en ook een zwembad. Zij woont daar zeker niet slecht. Er was voldoende bier en wijn, er waren salades in overvloed en de barbecue werd uitstekend bediend door de twee stagiaires bij de ambassade. Er zijn zo’n zestig mensen aanwezig. Met verschillende mensen een praatje gemaakt, ook met de ambassadeur. In eerste instantie lijkt hij helemaal niet zo’n typische ambassadeur, en dat waardeer ik juist positief. Je kunt gemakkelijk een praatje met hem maken, hij komt heel toegankelijk over en is zeer vriendelijk in de omgang.

Tijdens het tennistoernooi had ik al kennis gemaakt met Jan, hij is nog niet zo lang in Rwanda, en het is zijn bedoeling om in het zuidoosten van het land een boerderij op te zetten voor de productie van maïs, dat dan weer als grondstof gaat dienen voor de productie van bier door Brarilwa (Heineken dus). Hij wist niet waar de barbecue was, toen zei ik dat het wel wist, maar dat ik geen auto had en dus graag wilde meerijden. Zo geschiedde en toen bleek dat hij nog geen hotel had in de stad was de volgende deal ook al snel gemaakt. In ons huis is nog een kamer vrij, en ik heb Jan uitgenodigd om daar te slapen en zo heeft hij ons gezamenlijk van de barbecue naar huis gereden.


vrijdag 22 april 2011

Eventjes weg

Sinds vorige week zijn ze eventjes weg uit Rwanda, Wilma en Marte, maar als het goed is komen ze in juli weer terug! Het afscheid viel niet mee, maar ik ga proberen om me de komende maande er doorheen te slaan. Vorige week dinsdag om kwart over acht heb ik vanaf de veranda KL0537 zitten zwaaien, toch wel met een klein traantje in mijn ogen.

Het is opeens een stuk stiller in huis. Geen vrolijk welkom als ik thuiskom van mijn werk. Niet even gezamenlijk snacken (Ugandese sherry en nootjes of chips) zo vlak voor het eten. Geen klimpartijen meer en ingewikkelde trucjes die moeten worden uitgevoerd. Geen hele zinnen die beginnen me de frase: “Eigenlijk …”. En ook Toy Story 3 wordt niet meer vertoond op de laptop. Het derde deel van Toy Story, in het Engels, was op het laatst de favoriet van Marte, en doordat zij die inmiddels al wel twintig keer gezien heeft, weet ook ik nu inmiddels wel waar deze over gaat.

Toen Marte hier kwam in februari was dat in de buggy. En de eerste paar weken hebben we, maar vooral Wilma, Marte overal heen vervoerd in de buggy. En zo heuvel op en af, dat viel soms niet mee. Na een weekje of drie is, achteraf gezien gelukkig, de buggy kapot gegaan en moest Marte dus lopen. Dat ging in het begin natuurlijk met flinke tegenzin, maar na een paar dagen trok dat wel bij, en sinds die tijd, liep ze als een parmantig meisje door de stad. Ze heeft zo geleerd om hele afstanden te voet af te leggen. De kapotte buggy staat nu als een wees op de veranda.

En Marte laat ook een tweetal schoenen achter in Rwanda. Hiervan heeft ze ook afscheid genomen. Het was duidelijk dat ze veel te klein waren, ze begon op een gegeven moment de voeten heel raar neer te zetten, en dat kwam doordat ze veel te nauw zaten. Ook deze schoenen staan nu als weesjes in de kast.

De afgelopen week heb ik een beetje afleiding gehad door deel 2 van de In Country Training van VSO in Rwanda. Het was leuk om weer in contact te komen met de mensen waar je in januari samen in dit land bent begonnen. Enkelen had ik in de tussentijd wel gesproken, maar voor een aantal was het een weerzien na drie maanden. De inhoud van het programma was af en toe wel een beetje taai, maar dat hebben we opgelost door ook wat leuke dingen te gaan organiseren.

Een van die leuke dingen was het bezoek aan de enige bioscoop van Kigali, en dus ook van Rwanda. Van de buitenkant is het helemaal niet herkenbaar als bioscoop, het ziet er gewoon uit als wat kantoorpanden boven een paar winkels. Per toeval is een van de VSO-ers er tegenaan gelopen en dat leek vervolgens wel een leuk idee om met de hele groep erheen te gaan. Er is ook geen regulier programma. Nee, als wij als groep zouden komen, dan konden we zelf bepalen hoe laat we wilden beginnen en ook welke film we wilden zien. De keuze is gevallen op ‘Africa United’, een film over twee jongens uit Rwanda die naar het WK Voetballen in Zuid Afrika willen gaan, en die daar dan uiteindelijk na veel omzwervingen ook terecht komen. Dat leek wel een mooie toepasselijke film. Met onze groep van ongeveer twintig en ook nog een vijftal andere bezoekers hebben we heerlijk zitten kijken voor 1.000 Frw per persoon. En er was ook popcorn!

woensdag 20 april 2011

De busjes

Om ons te vervoeren maak ik soms gebruik van een taxi-moto (dan zit je achterop bij iemand op een brommer of een motor), gebruiken wij een enkele keer de gewone taxi (genaamd taxi-voiture), maar toch het vaakst gaan we met de bus of het busje (die grappig genoeg hier weer taxi heet).

Wij wonen in de wijk Kimoronko (spreek uit Tsjimirongo) en vlak bij de markt is het busstation. De twee belangrijkste bussen zijn voor ons de bus naar het centrum (mudji) en die naar mijn werk in Kaycira. De bus naar het centrum staat altijd rechts vooraan het park en de bus naar mijn werk altijd links vooraan. Na twee maanden ben je daar wel achter. En als je het weer vergeten bent, dan herinnert de bijrijder je wel hieraan. Die roepen vlak bij de busjes luid en duidelijk “Mu mudji (naar de stad)” of zoiets als “Kjsra Njabgogo”. Dit is het busje naar Kaycira en de verderop  gelegen wijk Nyabogogo.

De bus naar het centrum is altijd een wat grotere bus. Wilma is maar wat blij dat zij meestal met deze bus gaat, want daar heb je nog een beetje ruimte. Zo om de tien minuten vertrekt deze naar het centrum, meestal als de bus zo’n beetje halfvol is. Onderweg worden de overige passagiers opgepikt, als ze positief reageren op de kreet die de bijrijder bij elke bushalte luid staat te roepen: “Mu mudji, mu mudji!”

De bus naar mijn werk is altijd een busje. Deze vertrekt pas als deze helemaal gevuld is met passagiers. Naast de chauffeur is nog plek voor twee personen. Hierachter bevinden zich vier banken waarop telkens vier personen kunnen zitten. Een van de plaatsen is voor de bijrijder, dus onze reis begint altijd met 17 passagiers. Als het even kan probeer ik voorin te zitten, want dat is nog een beetje comfortabel. Op de heenweg lukt me dat nog wel eens, omdat dat het startpunt is, maar op de terugweg lukt dat bijna nooit.

Het is ook een heel circus als diegene die links achterin het busje zit eruit moet, dan moeten er mensen opstaan, stoelen opgeklapt worden en mensen even de bus uit om de uitstapper de ruimte te geven om dan vervolgens weer terug het busje in te gaan om een nieuw plekje te vinden. En je moet ook niet vies zijn van wat lichamelijk contact, want je zit kont aan kont met diegene die naast je zit. En dan maakt het niet uit of je man of vrouw bent, oud of jong, slank of dik, iedereen zit in hetzelfde busje. Je kunt er soms behoorlijk opgepropt inzitten.

Wat ook opvalt dat er heel veel geaccepteerd wordt. Als mensen veel bagage bij zich hebben, dan wordt dat gewoon ergens gestald. Dan is er maar wat minder ruimte voor de anderen. En ik heb wel eens meegemaakt dat, nadat er al een hele stoelendans heeft plaatsgevonden, iemand zich alsnog bedenkt en er toch nog uitwilt, waardoor de stoelendans weer opnieuw moet begonnen. Niemand die een poging doet tot een schampere opmerking, met staat gewoon op en maakt ruimte. En een enkele keer vindt de bijrijder dat er nog wel een vijfde op een rij kan, die er dan nog tussen wordt gepropt. Zonder morren wordt dit alles ondergaan. In Nederland was er dan flink wat afgescholden!

Als het busje niet vol is, dan wordt er gestopt bij alle haltes. De bijrijder roept iedereen die ook maar in de buurt komt van de bushalte met zijn lokroep “Mu mudji” of welke andere bestemming dan ook. Ook mensen die nog honderd meter verder lopen worden aangesproken. De reactie bestaat altijd uit een stoïcijnse non-reactie. Als men niet mee wilt, dan reageert men niet. Als men wel mee wilt, dan reageert men ook niet, maar loopt langzaam naar het busje en stapt rustig in. Voor een westerling zou het zo veel handiger zijn, als men zou reageren, dan weten of we moeten wachten of niet, zo kunnen we tijd winnen!

Normaal kost een ritje 190 Frw, een paar weken geleden was het nog 180 Frw, maar ergens  moet een prijsverhoging zijn doorgevoerd, want plotseling kregen we maar een muntstukje van 10 Frw terug in plaats van het gebruikelijke 20 Frw muntje. Als de route wat korter is, dan hoeven we maar 100 Frw te betalen. En enkele keer moeten we opeens een heel ander bedrag betalen, en dat accepteren we dan ook maar.

Marte is intussen ook helemaal gewend aan de bussen. Het liefst zit ze aan de raamkant, want dan hoeft ze niet naast een Rwandees te zitten, die mogelijk aan haar wilt zitten. Maar soms is de bus zo vol, dan moet ze op schoot zitten. En dat scheelt ook weer in de kosten, want dan hoeft we niet voor haar te betalen. Vaak begon Marte te zingen in de bus. Liedjes over schippers die overvaren en indianen die met bananen schieten. Dat zorgt soms wel voor een glimlach bij enkele andere passagiers. En zo vindt er ook nog een beetje Nederlandse cultuuroverdracht plaats. Ze weet ook al waar wij wonen. Als we weer op weg zijn naar huis, en een busje stopt op het stop signaal van Marte, dan vraagt ze aan de bijrijder: "Tsjimirongo?"